Eddy en Erik op Reis

Op naar Sardinië

IMG_1870

We zijn nu net een week op Sardinië en beginnen meer en meer gevoel te krijgen voor het eiland. Een heel ander eiland dan Corsica. Het hoort bij Italië, terwijl Corsica bij Frankrijk hoort. De bergen in Corsica zijn hoger dan in Sardinië. Sardinië heeft bovendien ook vlakke stukken. Groot voordeel is dat de wegen in Sardinië veel rechter zijn en je beter op schiet. Anderzijds zijn de Sardijnen wegpiraten, die altijd haast lijken te hebben, zodra ze in de auto zitten. De koffie is hier ook veel lekkerder, echte Italiaanse kwaliteit. Alleen jammer, dat in bijna alle cafeetjes en bars de TV keihard aanstaat op een of andere showzender. Het schijnt niemand te deren, niemand kijkt ernaar.

’s ochtends gaat Erik in Alghero eerst brood kopen bij de bakker om de hoek. Alle broden zien er anders uit en je rekent af naar gewicht. We ontbijten in het appartement en gaan vervolgens met de fiets naar de oude stad. Die oude stad ziet er mooi uit met stadsmuren, verdedigingstorens en veel kleine straatjes en piepkleine winkeltjes en restaurantjes. We bekijken nog de San Francisco kerk en de kathedraal. De laatste heeft een neoklassiek uiterlijk, dat een renaissancekerk verhult. In de haven informeren we naar een boottocht naar de Neptunusgrot. De zee is ruig, dus een boottocht kan niet worden gegarandeerd deze middag. We moeten nog maar bellen. ’s middags is het nog steeds niet rustig op het water en besluiten we naar Bosa te rijden een klein stadje ten zuiden van Alghero.

De huidige stad Bosa werd gesticht in de 12e eeuw. De ruïne van het Malaspinakasteel kijkt uit over de stad. Het ligt aan de rivier Temo, de enige bevaarbare rivier van Sardinië.  We rijden de berg op naar het kasteel. De muren staan nog overeind en ook de wachtorens zijn redelijk in tact. Het uitzicht op de stad en de omgeving is prachtig.

De volgende dag kunnen we weer niet naar de Neptunusgrot varen en maken we een uitstapje naar Sassari, de provinciehoofdstad. Als je er aankomt ziet de stad er niet bijster aantrekkelijk uit, maar de binnenstad is best wel leuk. Ook hier smalle straten, een mooie domkerk en een aantal 16e eeuwse stadspaleisjes. Pronkstuk is de Fontana di Rosello, een sierfontein uit 1606, die wordt gevoed door wat ooit de enig waterbron van de stad was.

Terug in Alghero besluiten we met de auto naar de Neptunusgrot te rijden. Dat is zo’n 15km buiten de stad, een ritje om de golf van Alghero heen naar Capo Caccia. Het uitzicht is daar prachtig. Er staat een stevige wind en ook vanaf land is de grot niet toegankelijk vanwege de ruige zee. Hoe mooi het er van binnen uitziet zal een raadsel voor ons blijven.

De volgende dag rijden we naar Nuoro in het oosten van Sardinië. De stad zelf is niet zo mooi, maar de omgeving wel. Berglandschap, kleine dorpjes en langs de kust grotten en prehistorische burchten, Nuraghi geheten. We verblijven in een B&B in een modern flatgebouw bij Massimo en Carla. Geboekt via Booking.com – anders hadden we het nooit gevonden. In Nuoro staat een interessant volkenkundig museum, waar je kunt zien hoe arm en weinig ontwikkeld Sardinië in de jaren ’60 nog was. Ze hebben ook een omvangrijke collectie klederdrachten van alle uithoeken van Sardinië. De volgende dag rijden we naar de grotten van Inspinigoli,net achter de kust. In deze streek rond Olieno zijn veel wijngaarden, waar men vooral de Vermentino druif teelt. Op andere plekken op Sardinië zie je veel Vernaccia. De grotten zijn zo’n 60 meter diep en zijn meer dan 180 miljoen jaar oud. De grot is nu droog en de enorme stalagmieten groeien dus niet meer. De bezoeken mogen maar maximaal 30 minuten duren om de kalksteen niet te zeer te beschadigen. We lunchen in het kustplaatsje Cala Gonone en vandaar uit gaan op zoek naar de Nuraghe Mannu, een prehistorische wachttoren aan de kust. Deze wachttorens zijn over heel Sardinië te vinden en dateren van 800 v.C. Deze toren was zeer strategisch omdat hij de hele baai overziet. Vanuit zo’n Nuraghe heb je altijd zicht op de dichstbijzijnde Nuraghi die zo een heel netwerk vormden. Veel weet men er niet van, omdat er geen schriftelijke bronnen zijn. Naast de Nuraghi zijn ook Romeinse resten van een handelspost en zelfs een kustverdediging uit de tweede wereldoorlog, die gebruik hebben gemaakt van de stenen van het Nuraghe volk.

Vanuit Nuoro vervolgen we onze reis naar Oristano aan de westkust. We verblijven 12 km ten Noorden van Oristano in Riola Sarde. Een onooglijk dorp met een luxueus hotel in een oude boerenhoeve. De service en de voorzieningen zijn er uitstekend. Op het Sini schiereiland zijn een paar zoutwatermeren waarin Flamingo’s zitten. Vooral ’s ochtends vroeg en tegen zonsondergang. We weten er een paar te spotten.

De volgende dag gaan we verder het Sini schiereiland op. Eerst naar San Giovanni, waar de oudste kerk

IMG_2071
Kerk San Giovanni

van Sardinië staat, uit de 6e eeuw. Vlak daarbij is de archeologische site van Tharros. Dit is van oorsprong een Phoenische nederzetting, die in de 2e eeuw voor Christus Romeins werd. Met het Romeinse rijk raakte de plaats in verval en werd in 1070 verlaten voor Oristano. De opgravingen laten resten

Kerk van San Giovanni
Tharros

van tempels, woonhuizen en thermen zien. Ook zijn de straten goed bewaard gebleven. Het is bovendien prachtig gelegen aan de golf van Oristano.

Dichtbij Tharros is het dorpje San Salvatore rond het gelijknamige kerkje. Het kerkje is gebouwd op de fundamenten van een Romeinse tempel, die later is overgegaan op  het Christendom. De kerk wordt slechts 9 dagen per jaar gebruikt rond het festival Corsa degli Scalzi. In die 9 dagen wonen er honderden pelgrims in de huisjes rond de kerk. De Corsa zelf is een hardlooprace waarbij de jongens van nabijgelegen Cabras in wit shirt en onderbroek, de redding van een heiligenbeeld uit de handen van de Moren naspelen. De rest van het jaar is het dorp geheel verlaten, een soort spookstad. Het is in de jaren ’50 en ’60 gebruikt als decor voor Western films. We kunnen tegen een kleine gift de kerk in en de ondergrondse kapellen bekijken.

San Salvatore

In Cabras staat het museum, waar de vondsten van Tharros tentoon worden gesteld. Verder is vissersplaatsje bekend om de bereiding van bottarga, de kuit van de harder, die wordt bewerkt en die vervolgens in de pasta wordt gebruikt. De kuit wordt nog in de zak waarin ze in de vis zitten, gezouten en tussen houten planken geperst om vervolgens op koele, luchtige plaatsen te drogen. Ook wordt het wel geserveerd op het typische Sardijnse flinterdunne geroosterde brood dat je hier in grote hoeveelheden bij elke maaltijd op tafel krijgt.

Morgen gaan we naar Cagliari, de hoofdstad van Sardinië voor de laatste drie dagen van onze reis.

 

2 gedachtes aan “Op naar Sardinië”

  1. C le Couvreur vanderstee

    Jammer dat er zoveel wind was maar je hebt het toch kunnen zien.mooie foto’s en een goed verslag ,groeten Ma.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *