We zijn nu weer in Tokio aangekomen met nog een kleine week voor de boeg. Tokio is wel even aanpassen voor ons, na lange tijd in kleine plaatsen op het Japanse platteland te zijn geweest. Wat een drukte is het hier, vooral in het weekend in Shinjuku, de wijk waar ons hotel is gelegen.
In ons vorige bericht schreef ik dat we naar Toyama zouden gaan. Dat hebben we ook gedaan. Toyama ligt aan de Japanse zee (niet echt in de bergen dus) en is – net als Rotterdam – een van de 52 plaatsen, die je volgens de New York Times moet bezoeken in 2025. Wij komen op deze zonnige dag voor het Glass Art Museum annex bibliotheek gebouw, ontworpen door Kengo Kuma, een wereldberoemde Japanse architect, bekend o.a. vanwege het Japanse nationaal stadion in Tokio, waar de Olympische Spelen van 2020 (2021) werden gehouden. In de structuur van het gebouw wordt veel hout gebruikt. Het opengewerkte trappenhuis is indrukwekkend.
We lunchen in de buurt in een warenhuis en gaan dan verder naar Nagano. Dat is nog 3,5 uur rijden. Deels loopt de route langs de kust van de Japanse zee en bij Joetsu nemen we een ruime bocht naar het zuidwesten naar Nagano, midden in de Japanse Alpen. We verblijven in het Chisun Grand hotel, net als 13 jaar geleden.
Een dag later regent het pijpenstelen. Na het ontbijt rijden we in noordwestelijke richting de stad uit naar Togakushi. De weg voert via slingerwegen een berglandschap in met zelfs een overkapt deel. In Togakushi is een voormalig ninja-oefenterrein. Er is een soort openluchtmuseum met gebouwtjes uit die tijd, maar veel stelt het helaas niet voor. Er is ook een ninja trick house, een soort doolhof met trappetjes, verborgen deuren en een gekantelde kamer, waar je de oriëntatie verliest. Het is allemaal een beetje sneu. Waar de meeste mensen voor komen zijn de drie Togakushi-jinja schrijnen, op drie niveaus in de bergen. Het dichtst bij het ninja-dorpje is de bovenschrijn, de Okusha. Dit is ook de belangrijkste. Het is het centrum voor de shinto verering van de berg Togakushi. Oorspronkelijk was het een tempel met onderkomens voor pelgrims. Nu is het een schrijn voor Amenotajikaraonomikoto. Vanaf het parkeerterrein is het twee kilometer lopen. Aanvankelijk langs een rechte laan langs een keurige bomenrij, maar allengs begint het pad te stijgen, eerst met trappen, daarna wordt het rotsachtiger. En dat alles in de stromende regen. Uiteindelijk duurt het ruim 20 minuten voor ik er ben. Er is een grote groep scholieren, die elk voor een paar muntjes een gebedje voor de goden opzeggen. De aanbidders komen hier voor geluk, een goede oogst of verwezenlijking van dromen. Daarna weer terug naar beneden. Doorweekt rijden we terug naar Nagano. Onderweg stoppen we nog voor koffie en heerlijke chiffon cake.
’s Avonds eten we bij Fujiya Gohonjin, een aanrader uit de Rough Guide. In dit gerestaureerde hotel uit de Meiji periode zou een aangename mediterrane keuken zitten. We worden niet teleurgesteld. Het is een toplocatie uit het hogere segment. Hadden we dat geweten hadden we iets netters aangetrokken. Ik neem een carpaccio van heilbot. Daarna neem ik gegrild Wagyu rundvlees. Erik kiest de pasta met kaas en kruiden.
Een dag later staan we vroeg op, we hebben reisdag voor de boeg. De zon schijnt en het is al 22 graden. We rijden naar Takasaki en leveren daar de auto weer in. Vandaar een kort ritje met de shinkansen van een half uur naar Omiya. Daar stappen we over voor een rit van 20 minuten naar Utsunomiya. Tenslotte een lokale trein naar Nikko. Om 14:58 zijn we in Nikko. Met een taxi rijden we naar de Turtle Inn. Dit is een eenvoudig verblijf, enigszins gedateerd. Iets buiten de echte kern van Nikko, maar wel dichtbij de tempels en schrijnen, waar Nikko bekend om staat. ’s avonds gaat het onbarmhartig regenen. Hopelijk is het morgen beter.
De goden zijn ons goed gezind want we staan op met een stralende zon aan de hemel. Het ontbijt in de Turtle Inn is een soort van westers met brood, jam en melk. Na het ontbijt lopen we naar de tempels en schrijnen, die tot het Unesco Werelderfgoed behoren. We beginnen bij de Rinno-ji tempel uit de 7e eeuw. In het hoofdgebouw van deze Boedhistische tempel staan 3 grote vergulde beelden van Amida, Senju-Kannon (de Kannon met de duizend armen) en Bato-Kannon (Kannon met het paardenhoofd). De drie goden worden beschouwd als Boedhistische verschijningsvormen van Nikko’s drie berggoden. Achter de tempel staat een gebedshuis uit 1998, waar de drie goden aanbeden kunnen worden. Op vaste tijden zijn er diensten, waar men zich voor moet aanmelden.
Verderop aan het eind van een prachtige laan staat de shinto schrijn Toshogu, het hoogtepunt van een bezoek aan Nikko. Dit complex werd aangelegd ter ere van de eerste Shogun Ieyasu van het Tokugawa-geslacht in de 17e eeuw. De shoguns bestuurden Japan 250 jaar lang tot 1868, toen de keizer (Meiji) de macht naar zich toe trok en Japan zich moderniseerde en openstelde naar de buitenwereld. Het huidige heiligdom kwam vooral tot stand onder de kleinzoon van Ieyasu. Het complex bestaat uit ruim 12 rijk gedecoreerde gebouwen met bijzondere kleine details, zoals de “horen, zien en zwijgen” fries met apen en de omgekeerde zuil. Dat laatste komt voort terug op de Japanse gewoonte om in perfectie ook een imperfectie te verwerken. Het gebouw heeft zowel Shinto als Boedhistische elementen. Pas na de Meji restauratie raakten de twee religies gescheiden. Bij de ingang staat een 5 etages hoge pagode. De Yomeimon poort, die toegang geeft tot de schrijn zelf, is wellicht Japan’s mooist gedecoreerde poort. Links ervan staat de hal met de huilende draak. Deze draak is op het plafond geschilderd en als de priester met twee blokken hout op elkaar slaat hoor je een echo, behalve als hij het rechtonder de kop van de draak doet. In de hoofdschrijn mag je geen foto’s maken. Rechts is een poort naar de binnenschrijn. In de poort zit een houtsnijwerk van een slapende kat (heel geliefd) en achter de poort begint een lange trap naar het mausoleum van Ieyasu.
Het is allemaal veel om tot je te nemen. Na al dit fraaise dalen we af naar de heilige Shinkyo brug over de Daiya rivier, die eigenlijk de toegang vormt tot de tempels en schrijnen. De rode houten brug werd in 1636 gebouwd en was lange tijd niet toegankelijk voor het publiek. Na een renovatie begin deze eeuw kun je er op lopen. Maar dan zie je de brug niet, dus doen we het niet.
Dichtbij de brug vinden we een klassieke barbier. De man is ver in de tachtig, maar knipt nog steeds nauwgezet op traditionele wijze zijn klanten. Ik laat mijn haar milimeteren en daar is hij 25 minuten mee bezig. De behandeling gaat gepaard met massages, een wasbeurt, poederen en nog zo wat. Een heerlijke ervaring. In de middag loop ik naar de Kanmangafuchi kloof, niet ver van ons hotel. Deze kloof is gevormd door een uitbarsting van de Nantai vulkaan. De kloof is een paar honderd meter lang en er loopt een mooi wandelpad langs met 70 beelden van Jizo, een bodhisatva, die zorgt voor de overledenen. De beelden hebben een rood mutsje op en een slabbetje voor. Dat ziet er wel schattig uit.
Later ontdek ik een hele verzameling van rode wondjes aan mijn onderbenen met korstjes erop. Later worden het rode bultjes, die jeuken en zwellen mijn enkels op. Wat is dit nu weer. Een allergie? Ik neem voor de zekerheid een hooikoortspilletje (met antihistamine).
We gaan met de bus naar het station om bij Nissan rent-a-car een huurauto op te halen. We drinken koffie bij Zen en rijden dan richting het Chuzenji meer, zo’n 10 km westelijk van Nikko. Het “meer van geluk” werd 20.000 jaar geleden gecreëerd bij de uitbarsting van de Natai. De weg erheen gaat over een weg met tientallen haarspeldbochten. De weg is eenrichtingverkeer. We stoppen halverwege bij de kabelbaan (‘Ropeway’), die ons in 3 minuten naar de top van Akechidaira brengt, vanwaar we uitkijken op het meer, de Kegon watervallen en de Nantai. Na het uitzicht gaan we verder, via weer talloze haarspeldbochten en komen bij de Kegon watervallen uit. Dat wil zeggen, bij een lift die ons 100 meter naar beneden brengt voor het mooiste uitzicht op de watervallen. Het is er erg druk, vooral met schoolreisjes. De kinderen hebben per groep een andere kleur petje op, zodat de leiding de kudde goed kan overzien.
We lunchen in de buurt van de lift en rijden vervolgens langs het Chuzenji meer. Het meer heeft een omtrek van 25 km. We rijden ongeveer een kwart daarvan, voordat we in Noordelijke richting afslaan naar Yumoto. Dat is een bronnenbadplaats gelegen aan de noordzijde van een ander meer in de loop van de Yu rivier. Er is hier een bronnenbad en dat is te merken aan de zware zwavellucht die hier te ruiken is. We lopen wat langs de oevers van het meer, drinken koffie en maken opnamen met de drone.
Dan rijden we weer terug naar Nikko. ’s Avonds is Nikko bijna uitgestorven. Een groot contrast met overdag, als de grote aantallen touringcars hun dagjesmensen over Nikko uitstorten. De restaurants zijn nu gesloten of sluiten vroeg. Acht uur is niet ongewoon. We vinden uiteindelijk een restaurant met Franse keuken, dat pas om 18 uur open gaat en waar je tot 20 uur nog kunt bestellen.
Zaterdag staan we vroeg op. We moeten zelf voor ontbijt zorgen, want om een of andere reden verstrekt het hotel vandaag geen ontbijt. De eigenaar is er gewoon, zijn dochter ook, maar er is niets te eten. We waren gewaarschuwd, dus hebben we gisteravond een en ander bij Lawson’s convenience store gekocht. Na het ontbijt op de kamer rijden we met de auto naar het verhuurbedrijf en leveren de auto in. Dan steken we de straat over naar het Tobu-station, waar we wachten op de trein naar Tokio. Die vertrekt om 9:57 richting Aksakusa. We stappen na anderhalf uur uit bij Kita-Senju een voorstad van Tokio. Daar nemen we de Joban Line naar Nippori en vervolgens de Yamanote lijn naar Shinjuku.
Ik ben niet helemaal gerust op de bultjes op mijn onderbenen en besluit een arts op te zoeken. Die vind ik in de buurt. De arts houdt het op tekenbeten. Lyme bestaat niet in Japan, maar het lijkt wel een infectie. Vandaar antibiotica.
’s Avonds lopen we naar de Omoide Yokocho, twee smalle straatjes langs het spoor met talloze kleine restaurantjes. Daar gaan we eten. Ze serveren kleine gerechtjes. De regel is dat je tenminste 1 drankje per persoon bestelt en een cover charge van ¥500 betaalt, waarvoor je dan een kleine amuse krijgt. We eten er smakelijk. Ik neem kokkels, yakitori en sashimi.
Zondag checken we uit voor een dag. We gaan naar Hakone, een gebied ruim 2 uur per trein, ten zuiden van Tokio. Het is bergachtig, in de buurt van de Fuji met tal van bijzondere infrastructuur, musea en mooie natuur. Een populaire bestemming voor zowel toeristen als Japanners uit Tokio. We maken een rondje door het gebied en doen dat in twee dagen. 1 dag kan ook maar dat is belastend. We hebben een Hakone Free Pass aangeschaft (digitaal), en een toeslag betaald voor de Romancecar Limited Express van Odakyu line, die ons in ruim 2 uur naar Hakone-Yamote zal brengen. We hebben plaatsen gereserveerd achter de machinist en kunnen hem aan het werk zien. Opvallend is dat hij regelmatig met zijn hand naar de seinen wijst, ten teken dat hij gezien heeft.
In Hakone-Yumote stappen we over op de Tozan line. Een nogal bejaarde eletrische bergtrein, die op zijn parcours, over enkelspoor, een aantal malen moet keren, om de stijle hellingen te kunnen beklimmen. We rijden mee tot het eindpunt Gora. Hier lunchen we en daarna nemen we de bus (inclusief in de Free Pass) naar het Lalique Museum. Een mooie collectie van de Franse glaskunstenaar Rene Lalique die eind 19e, begin 20e eeuw werkte in Art Nouveau stijl. Veel toegepaste kunst in de vorm van sierraden, parfumflesjes, vazen en lampen. Als we de tentoonstelling denken gezien te hebben gaan we naar buiten, maar we worden achtervolgd door een suppoost, die ons verteld, dat we een zaal hebben overgeslagen. Dus weer terug voor die ene zaal met een tijdelijke expositie.
We drinken thee in de tuin van het museum en nemen dan de bus terug naar Gora. Vanaf het station lopen we bergafwaarts een kilometer naar ons hotel Indigo. Een prachtig hotel gelegen aan een waterval. We hebben zelfs onze eigen onsen op het balkon. We eten ook in het hotel.
Na het ontbijt worden we op een bewolkte maandagochtend door de shuttle taxi van het hotel teruggebracht naar het station. Daar stappen we op een funiculair verder de bergen in. Op de eindhalte stappen we over op een kabelbaan. Die gaat eerst over beboste bergen en dan ineens over de caldera van een vulkaan. De stoom komt uit diverse gaten de grond uit. Hier wordt ook het thermale water afgetapt voor de onsen in het gebied. We stappen uit op bergstation Owakudani. Daar hebben we een mooi uitzicht op de Caldera. Hier verkopen ze ook zwartgeblakerde eieren, die in het thermale water zijn gekookt. We gaan verder met een volgende kabelbaan die ons over een berg heen naar Togendai aan het Ashinoko meer, dat ook een vulkanisch ontstaan kent. We lunchen daar en gaan vervolgens met een Disney achtig piratenschip het meer op en steken het over naar Hakone Machi aan het zuideinde van het meer. Daar stappen we dan in de bus terug naar Hakone Yamoto. De rit duurt ruim een half uur en gaat in relatief hoog tempo over slingerwegen. Goed vasthouden dus. Sommige passagiers worden wagenziek en zijn blij als de bus weer uit mogen.
Wij stappen vervolgens weer op de trein terug naar Shinjuku in Tokio. Om half vier zijn we weer op onze hotelkamer.
’s Avonds eten we sushi bij Sushiyama niet ver van het hotel. Daar ga ik nog kijken naar de 3D kat lichtreclame bij het Shinjuku station. Het is een gigantisch groot scherm met een lapjeskat die verschijnt tussen de reclames door. Heel toeristisch, maar als je toch in de buurt bent…













Echt een heel mooi verslag en prachtige foto’s. Ik heb er weer van genoten. Dank je wel Eddy, groet van ons
Wat een geweldige reis en wat een bijzondere beschrijvingen. Het lijkt even of je erbij bent. Nog een week genieten.